
|
De Amsterdamse School
begon als een vriendenclub die in 1916 de macht overnam in het
Amsterdamse architectengenootschap 'Architectura et Amicitia'.
Hemelbestormers als De Klerk, Kramer, Van der Mey, Staal, Gratama en
Wijdeveld hadden grootse politieke idealen. Zij zochten naar nieuwe
vormen die pasten bij hun maatschappijvisie.
Het werd tijd om met oude vormen te breken en oplossingen te zoeken die anders waren dan de aanpak van Berlage. Die had wel een eind gemaakt aan de traditionele, op het verleden geïnspireerde vormgeving, maar zijn zakelijke, sobere aanpak was wel een erg droog alternatief. In plaats daarvan bracht de jonge Amsterdamse School uitbundig de dynamiek en de structuur van de architectuur tot uiting, met expressieve kleuren en materialen en rijke versieringen. Veel van die rijkdom staat in dienst van de ruimtelijke rol van de architectuur. Amsterdamse School-gebouwen bepalen en bespelen hun omgeving zowel buiten als binnenshuis. Tegelijk sluiten ze vaak aan op de karakteristieken van hun context, of dat nu een groots plein is, een besloten woonstraat of een idyllisch buiten. |